Wat is gezonde voeding voor mijn kind? En waar vind ik betrouwbare informatie daarover? Voor veel ouders zijn dat niet altijd eenvoudige vragen. Online is er een overvloed aan voedingsinformatie, maar die informatie is niet altijd betrouwbaar of eenduidig. Tegelijkertijd vinden ouders die nood hebben aan persoonlijk en wetenschappelijk onderbouwd advies niet vanzelf hun weg naar een diëtist of andere zorgprofessional.
Dat is extra relevant voor gezinnen in een maatschappelijk kwetsbare positie. Zij lopen een groter risico op ongezonde eetgewoontes, terwijl financiële, sociale, talige of andere drempels de toegang tot betrouwbare informatie en professionele ondersteuning kunnen bemoeilijken. Nochtans vormt gezonde voeding op jonge leeftijd een belangrijke basis voor de ontwikkeling van kinderen en kan ze gezondheidsproblemen op latere leeftijd helpen voorkomen.
Hoe vinden ouders hun weg naar betrouwbare voedingsinformatie?
Onze onderzoekers van AP Hogeschool zochten het antwoord in het project Voedingswijzer en onderzochten hoe ouders van kinderen tot 12 jaar in een maatschappelijk kwetsbare positie voedingsinformatie ervaren en gebruiken. We focusten op Deurne, een divers Antwerpse district met een groot zorgaanbod. We wilden daarnaast begrijpen hoe professionals in de eerstelijnsgezondheidszorg met voedingsvragen omgaan en welke oplossingen kunnen helpen om correcte voedingsinformatie toegankelijker te maken.
De centrale onderzoeksvragen waren: hoe ervaren ouders de toegang tot voedingsinformatie? Hoe werken eerstelijnszorgverleners rond voeding en voedingsinformatie? En hoe kan wetenschappelijk correcte informatie beter tot bij ouders geraken?
Online informatie is dichtbij, professionele hulp minder
Uit het onderzoek blijkt een opvallende kloof tussen vertrouwen en gebruik. Professionele bronnen zoals huisartsen en diëtisten genieten veel vertrouwen bij ouders, maar worden relatief weinig geraadpleegd voor voedingsvragen. Ouders kiezen vaker voor kanalen die snel en laagdrempelig beschikbaar zijn, zoals voedingslabels, sociale media, zoekmachines en andere online informatiebronnen.
Dat maakt de toegang tot betrouwbare informatie niet vanzelfsprekend. Online informatie is gemakkelijk beschikbaar, maar kan tegenstrijdig of onjuist zijn. Voor ouders kan het daardoor moeilijk zijn om in te schatten welke informatie relevant en betrouwbaar is voor hun eigen situatie. We zien daarom niet alleen een nood aan méér informatie, maar vooral aan informatie die begrijpelijk, herkenbaar, praktisch en gemakkelijk bereikbaar is.
Ook eerstelijnsprofessionals zoeken naar ondersteuning
We onderzochten ook de professionals die dicht bij de gezinnen staan, zoals huisartsen, diëtisten en kinesisten. Uit een bevraging bij 150 eerstelijnsmedewerkers blijkt dat 72 procent regelmatig voedingsvragen krijgt. Bij gezondheidsprofessionals ligt dat aandeel nog hoger: 85 procent krijgt dergelijke vragen, tegenover 57,1 procent van de welzijnsprofessionals. De vragen gaan onder meer over gezonde voeding, afvallen en voeding voor baby's en kinderen. Veel professionals proberen die vragen zelf te beantwoorden. Bij complexere vragen, bijvoorbeeld over medische aandoeningen, allergieën of specifieke diëten, verwijzen ze vaker door naar een arts of diëtist.
Niet iedereen voelt zich echter voldoende uitgerust om voedingsadvies te geven. Gebrek aan kennis, het gevoel onvoldoende competent te zijn en de keuze om door te verwijzen zijn belangrijke redenen om vragen niet zelf te beantwoorden. Ook de manier waarop voedingsinformatie wordt aangeboden, speelt een rol. Professionals geven informatie voornamelijk mondeling. Daarnaast gebruiken ze het internet en bestaande informatiematerialen. Tegelijk geeft de helft aan geen bijkomende informatie aan cliënten mee te geven.
Voeding staat zelden op zichzelf
De gesprekken met professionals tonen bovendien dat voedingsvragen vaak verweven zijn met andere problemen. Bij gezinnen in een kwetsbare positie spelen bijvoorbeeld financiële zorgen, mentale gezondheid, huisvesting, sociale problemen of taalbarrières mee. Gezonde voeding is daardoor niet altijd de eerste prioriteit. Dat maakt een eenvoudige doorverwijzing naar een diëtist niet altijd voldoende. De kostprijs van professionele begeleiding kan bijvoorbeeld een drempel vormen. Ook het aanbod en de beschikbare doorverwijsmogelijkheden zijn voor professionals niet altijd duidelijk.
We plijten daarom voor een aanpak die rekening houdt met de bredere leefwereld van gezinnen. Niet één kanaal of één professional kan alle noden opvangen. Ook een betere samenwerking tussen eerstelijnsprofessionals en diëtisten kan helpen om voedingsvragen sneller op de juiste plaats te krijgen.
Daarnaast is er nood aan meer ondersteuning en opleiding voor professionals die regelmatig voedingsvragen krijgen. Duidelijke doorverwijsroutes en een betere afstemming tussen verschillende disciplines kunnen de drempel verder verlagen.
Ook scholen kunnen volgens het onderzoek een belangrijke rol spelen. Als vertrouwde omgeving voor kinderen en ouders kunnen zij een brug vormen naar betrouwbare informatie. Daarbij is het belangrijk om niet alleen ouders, maar ook kinderen zelf actief te betrekken.
De afstand tussen informatie en het dagelijkse leven verkleinen
De belangrijkste uitdaging is niet simpelweg om meer voedingsinformatie te verspreiden, maar om de afstand tussen betrouwbare informatie en het dagelijkse leven van gezinnen kleiner te maken. Correcte voedingsinformatie moet terechtkomen op de plaatsen waar ouders en kinderen komen, in een vorm die ze begrijpen en kunnen toepassen. Tegelijk moeten professionals voldoende ondersteuning krijgen om voedingsvragen te herkennen, zelf te beantwoorden of gericht door te verwijzen.
In het vervolgproject Voedingsbrug zullen we specifiek onderzoeken hoe laagdrempelige interventies en een betere samenwerking tussen scholen en voedingsprofessionals de toegang tot betrouwbare voedingsinformatie voor ouders in een maatschappelijk kwetsbare positie kan verbeteren.
Wil je meer weten over dit onderzoek? Lees hieronder het volledige onderzoeksrapport of neem contact op met expert Billie Vinck.

