Overslaan en naar de inhoud gaan

Graduaten in het Vlaamse hoger onderwijslandschap: tussen potentieel en uitdaging

Studenten

Gert Vanthournout

Dit nieuwsbericht is een samenvatting van een interview voor het radioprogramma ‘De Staat van ons Onderwijs op Radio Centraal. Geïnteresseerden kunnen de volledige radio-uitzending hier beluisteren: https://www.mixcloud.com/peter-vp/ 

Sinds hun introductie in 2019 vervullen de graduaatsopleidingen in Vlaanderen een steeds prominentere rol binnen het hoger onderwijs. Ze werden in het leven geroepen als antwoord op de vraag vanuit de arbeidsmarkt naar goed opgeleide praktijkmensen. De graduaatsopleidingen positioneren zich op niveau vijf in het Europees Kwalificatiekader, tussen het secundair onderwijs en de professionele bacheloropleidingen. Graduaatsopleidingen bieden studenten een tweejarige praktijkgerichte opleiding. De graduaatsopleidingen verschillen van de Secundair na secundair opleidingen (in de volksmond gekend als het 7e jaar). Deze laatste zijn ook praktijkgerichte opleidingen, maar van slechts één jaar. Ze leveren geen diploma hoger onderwijs op.

Toenemende populariteit als tweesnijdend zwaard

Graduaatsopleidingen winnen aan populariteit. Het aantal ingeschreven studenten verdubbelde sinds 2020 tot zo’n 33.000. Vandaag de dag zit één op vijf studenten in het hoger onderwijs in een graduaatsopleiding (https://www.vlaamsehogescholenraad.be/nl/oktobertelling_2025). Graduaatsopleidingen zijn ook een hefboom voor de verdere democratisering van ons hoger onderwijs. Vanwege hun praktijkgericht en laagdrempelig karakter trekken ze een nieuwe, vaak diverse, groep van studenten aan. Het merendeel van die studenten stroomt nadien door naar de arbeidsmarkt. Een kleinere groep stroomt verder door naar een professionele bacheloropleiding.  

De spectaculaire groei van de graduaatsopleidingen gaat echter gepaard met substantiële uitdagingen. Historisch bouwen deze opleidingen verder op de kleinere opleidingen voor hoger beroepsonderwijs (HBO5) aan de centra voor volwassenenonderwijs. Die opleidingen zijn overgeheveld naar de hogescholen, waardoor ze de uitdaging kregen om zich simultaan te integreren en hun curriculum te hertekenen. Tegelijkertijd worden ze geconfronteerd met een toenemende en diverse toestroom waaronder recent ook een directe instroom van studenten uit het 6e jaar van de arbeidsmarktfinaliteit. Combineer dit met een achterophinkende financiering en je krijgt een soort van perfecte storm waarbij vooral het op maat werken en de begeleiding van studenten onder druk komt te staan. In deze context geven opleidingen en lesgevers in de graduaatsopleidingen alle dagen het beste van zichzelf. 

Werkplekleren als ankerpunt in het curriculum 

Kenmerkend voor de graduaatsopleidingen is dat hun programma voor een derde uit werkplekleren bestaat. Dit houdt in dat studenten een aanzienlijk deel van hun competenties in authentieke beroepscontexten verwerven, waardoor een structurele samenwerking tussen de opleidingen en het werkveld cruciaal is. Daarnaast is er nood aan goed opgeleide mentoren op de werkplek die de leerondersteuning van studenten op zich kunnen nemen. Voor zover ik weet, berust het mentorschap vaak op goodwill en bestaat er nog geen structureel opleidingstraject voor mentoren, al organiseren opleidingen zelf soms vrijblijvende initiatieven. Voor studenten zelf vormt het werplekleren één van hun belangrijkste bezorgdheden. Op de eerste plaats vragen ze zich af of ze wel een geschikte werkplek gaan vinden. Daarnaast zijn ze bezorgd over of ze zullen kunnen omgaan met de verwachtingen van de werkplek en of ze wel voldoende gaan kunnen leren. 

Om de uitdagingen van werkplekleren in de graduaatsopleidingen in kaart te brengen en om oplossingen te formuleren dienden we samen met de onderzoeksgroepen Edubron en PPG van de UAntwerpen en met de onderzoeksgroep Loopbaan- en Personeelspsychologie van de UGent een onderzoeksproject in bij het Fonds Wetenschappelijk Onderzoek van de Vlaamse overheid. 

De afwijkende toelatingsproef graduaatsopleidingen: uitzonderingsmaatregel of instroommodaliteit?

Met de Vlaanderen brede afwijkende toelatingsproef voor graduaatsopleidingen, kortweg de TPG, wilden de Vlaamse hogescholen kandidaat-studenten zonder diploma secundair onderwijs de kans geven zich toch in te schrijven in een graduaatsopleiding. Ze dachten daarbij aan twee doelgroepen: (1) jongeren die dreigen om ongekwalificeerd uit te stromen uit het onderwijs, en (2) mensen zonder diploma secundair onderwijs die al aan het werk zijn en die zich willen herscholen. Hoewel de TPG bedoeld was als uitzonderingsmaatregel, blijkt dat ze in de praktijk bijna fungeert als een extra instroommodaliteit. In het voorbije academiejaar legden meer dan 3000 studenten de proef af. Tussen de 10 en de 15% van de studenten in de graduaatsopleidingen stroomt in via de TPG. Zoals we elders in meer detail beschreven zijn de prestaties van deze studenten uiteenlopend. Bij jongere kandidaat studenten zien we dat ze algemeen genomen slechter presteren dan studenten met een diploma SO. Dit heeft o.m. te maken met het feit dat ze vaak tot kwetsbare groepen behoren, dat ze in het secundair onderwijs al worstelden met school én dat ze in de eerder beschreven perfecte storm terechtkomen. Voor een aantal onder hen dreigt een dubbele kwetsuur: opnieuw een faalervaring in het onderwijs en een verloren jaar in het behalen van hun diploma secundair onderwijs. Bij studenten ouder dan 26 zien we een ander verhaal. Zij presteren vaak even goed als oudere studenten met een diploma en over het algemeen ook beter dan jongere studenten (met of zonder diploma).  

Conclusie

De graduaatsopleidingen vervullen vandaag een cruciale maatschappelijke rol door nieuwe doelgroepen aan te trekken, de democratisering van het hoger onderwijs te versterken en bedrijven te ondersteunen in hun vraag naar praktijkgerichte professionals. Tegelijkertijd zijn ze, als nieuwe vorm van hoge onderwijs ook een dynamische context met veel vragen en uitdagingen, waardoor ze een boeiende omgeving voor (praktijk)onderzoek vormen. Verdere investering in begeleiding, structurele samenwerking met werkplekken en gericht onderzoek naar diversiteit en werkplekleren zijn noodzakelijk om hun potentieel duurzaam te realiseren. 

Gerelateerde artikels