U bent hier

Koninklijke Academie voor Schone Kunsten Antwerpen

Historiek

Een belangrijk historisch scharniermoment is de zestiende eeuw, beter bekend als de Gouden Eeuw. Antwerpen is tot aan de Spaanse invasie, dé belangrijkste havenstad van West-Europa. Metsys, Breughel, Plantijn,… zijn belangrijke culturele actoren. Tijdens die Spaanse furie sluiten de Hollanders de Schelde af en kwijnt de Antwerpse haven weg. Deze economische crisis dwingt het fiere Antwerpen tot een andere aanpak. Tegen 1585 was maar liefst de helft van de Antwerpse bevolking de stad ontvlucht: een eerste ‘brain’ en ‘talent drain’.
Om te overleven diende kost wat kost een nieuw plan de campagne te worden ontwikkeld. 

 

Naar het voorbeeld van de academie te Parijs wordt ook in Antwerpen een “hooger magistraal onderwijs voor kunst” opgericht. De stichtingsdatum (1663), de socio-culturele context (Antwerpen als bakermat van de barok,…), de internationale aantrekkingskracht dankzij haar reputatie van een heel klassieke, degelijke ‘academische’ kunstopleiding en –niet in de laatste plaats - de consolidering van deze unieke positie via de oprichting van het Nationaal Hoger Instituut voor Schone Kunsten in 1885.

 

Dat de Antwerpse Academie voor Schone Kunsten één van de oudste academies ter wereld is, is een feit. Op vlak van stichtingsoorkonden zijn de oprichtingsdata van de academies van Rome en Parijs eveneens goed gedocumenteerd. Dr. G. Persoons (hierin gevolgd door kunsthistoricus Jan Lampo) situeert de Antwerpse academie als het nummer drie (na Rome en Parijs), maar zag blijkbaar de academie van Firenze over het hoofd. Indien we de academie van Haarlem (eerder een ontmoetingsplaats of ‘sociéte de pense’ voor kunstschilders) in haar juiste context plaatsen, is de Antwerpse Academie voor Schone Kunsten de vierde oudste kunstopleiding ter wereld. Die respectabele leeftijd heeft alvast teweeg gebracht dat alle volgende generaties kunstinstituten in België zich op één of andere manier dienden te profileren ten opzichte van de Antwerpse Academie voor Schone Kunsten, eerder dan omgekeerd. Dit is vanuit vele kanten gezien een comfortabele positie, - maar zoals verder zal blijken - niet volledig zonder risico’s.

 

In tegenstelling tot de hedendaagse hogere kunstopleidingen is de zeventiende en achttiende eeuwse academie een andere onderwijsbiotoop. Een prominente plaats was voorzien voor het ambachtelijke luik. Ondersteunende beroepen zoals hout- en plaatsnijders studeerden naast schilders van portretten, landschappen en stillevens, architecten en meubelmakers. Ook de leeftijdscategorie was anders als vandaag. Lange tijd kon je vanaf je veertiende terecht aan een academie. De studieduur was tussen de zeven en tien ‘academiejaren’, hiermee vergeleken was de opleidingsduur in het (Sint-Lucas) gildensysteem een peulenschil. Belangrijk is te vermelden dat in Antwerpen het de Sint-Lucasgilde was die aan David Teniers opdracht gaf om een ‘academie’ op te richten.


Een academie werd verder geacht ook een eigen kunstpatrimonium uit te bouwen en te beheren. Dit was initieel louter een zaak van studiemateriaal, later ook een maatschappelijke missie. De Koninklijke Musea voor Schonen Kunsten waren oorspronkelijk niet meer of niet minder dan ‘galerijen’ van de academie. De verhouding tussen de Sint-Lucas Gilde en de academie is steeds een gevoelig onderwerp geweest. Momenten van grote onverschilligheid, grote bemoeizucht of vijandigheid wisselden elkaar af.

 

Recentere academies ontstaan uit de ‘verlichting’ zoals die van Brugge, Mechelen en Gent zijn zelfs opgericht in een ‘anti gilden’klimaat. Het Napoleontisch bewind is voor veel onderwijsinstellingen een belangrijke periode geweest. Napoleon onteigende tal van kloosters en gaf de gebouwen een nieuwe bestemming. Minder fraai was echter de ‘return’ die de Corsicaan zich toe-eigende, namelijk de integrale kunstcollectie van de Academie voor Schone Kunsten.

 

Onder Nederlands bewind werd gelukkig het een en ander recht gezet. Willem Van Oranje voorzag een aantal structurele fondsen en zorgde er tevens voor dat de kunstschatten uit Frankrijk werden teruggebracht. Een tijdje na de onafhankelijkheid werd onder Leopold 2 aan de Antwerpse Academie voor Schone Kunsten een uniek Hoger instituut opgericht voor bouwkunde en schone kunsten. Na de eeuwwisseling kreeg het Koninklijk Museum voor schone Kunsten een apart statuut en een nieuwe locatie. Door een wetswijziging werd in 1948 de opleiding bouwkunde eveneens in een nieuw op te richten school ondergebracht. De architectuuropleiding is tot op heden nog steeds gehuisvest op dezelfde campus in de Mutsaardstraat.

 

(Bron ZER rapport 2008, E.Ubben)